kluwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klu·wen
enkelvoud meervoud
naamwoord kluwen kluwens
verkleinwoord kluwentje kluwentjes

Zelfstandig naamwoord

kluwen m en o

  1. los om zichzelf opgewonden hoeveelheid wol, garen enz
    Ik heb nog een kluwen rode wol, daarmee komt de trui wel af.
Vertalingen