klinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klin·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klinken
klonk
geklonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

klinken

  1. (absoluut) een bepaald geluid (klank) voortbrengen
    Die kerkklok klinkt heel helder.
  2. (inergatief) een glas tegen dat van een ander stoten bij een heildronk, proosten
    graag willen we samen met u klinken
  3. (overgankelijk) met klinknagels vastmaken, vastklinken
  4. (overgankelijk) vastspijkeren
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

een klinkende indruk maken iemand in de boeien klinken

Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

klinken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klink


Meer informatie