kleedkamer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kleed·ka·mer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kleedkamer | kleedkamers |
| verkleinwoord | kleedkamertje | kleedkamertjes |
Zelfstandig naamwoord
- een ruimte waar men zich omkleden kan
- Hij kreeg een rode kaart en mocht naar de kleedkamer.