kledingstuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: kledingstuk (hulp, bestand)
Woordafbreking
- kle·ding·stuk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kledingstuk | kledingstukken |
| verkleinwoord | kledingstukje | kledingstukjes |
Zelfstandig naamwoord
kledingstuk o
- een deel van de kleding
- Hij kocht dat kledingstuk op de markt.