kastijden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·tij·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kastijden
kastijdde
gekastijd
zwak -d volledig

Werkwoord

kastíj́den

  1. lijfstraf in uitvoering brengen.
    De lijfeigenen werden door hun wrede heer gekastijd omdat zij geprotesteerd hadden.
enkelvoud meervoud
naamwoord - kastijden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kástijden mv

  1. de tijden waarop een kas open is.
    Nee, ze zijn nu niet open omdat de kastijden zijn veranderd.

Zelfstandig naamwoord

kastijden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kastijd