kastijden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Uitspraak
Woordafbreking
- kas·tij·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kastijden |
kastijdde |
gekastijd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
kastíj́den
- lijfstraf in uitvoering brengen.
- De lijfeigenen werden door hun wrede heer gekastijd omdat zij geprotesteerd hadden.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | - | kastijden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
kástijden mv
- de tijden waarop een kas open is.
- Nee, ze zijn nu niet open omdat de kastijden zijn veranderd.
Zelfstandig naamwoord
kastijden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kastijd