kast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kast
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig an het Middelnederlandse woord caste (korenschuur).
enkelvoud meervoud
naamwoord kast kasten
verkleinwoord kastje kastjes

Zelfstandig naamwoord

kast v/m

  1. (meubel) een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
  2. (informeel) een televisietoestel (meestal als verkleinwoord: kastje)
  3. (informeel) gevangenis
  4. (informeel) een groot gebouw
    In de kast zitten.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: alles uit de kast halen
grote inspanningen leveren
  • [1]: iemand op de kast jagen
iemand boos maken
  • [1]: lijken in de kast
verborgen compromitterende zaken
  • [1]: uit de kast komen
laten blijken dat he homoseksueel bent
  • [1]: van het kastje naar de muur gestuurd worden
met bureaucratisch gedoe te maken krijgen
  • [4]: en kast van een (huis, etc.)
een zeer groot (huis, etc.)
Vertalingen
Vertalingen
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kassen

kast

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
    Jij kast.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
    Hij kast.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van kassen
    Kast!

Meer informatie


Noors

Woordafbreking
  • kast

kast

  1. gebiedende wijs van kaste


Nynorsk

Woordafbreking
  • kast

kast

  1. gebiedende wijs van kaste
Synoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen