karn

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • karn
enkelvoud meervoud
naamwoord karn karnen
verkleinwoord karntje karntjes

Zelfstandig naamwoord

karn v/m

  1. (gereedschap) een vat met een stamper bedoeld om er room tot boter in te karnen
    De karn is nu geheel verdrongen door de boterbereidingsmachine.

Werkwoord

vervoeging van
karnen

karn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karnen
    Ik karn.
  2. gebiedende wijs van karnen
    Karn!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karnen
    Karn je?