kapittel
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ka·pit·tel
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kapittelen |
kapittel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapittelen
- Ik kapittel.
- gebiedende wijs van kapittelen
- Kapittel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapittelen
- Kapittel je?