kano

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
Kano

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord kano kano's
verkleinwoord kanootje kanootjes

Lettergrepen
  • ka·no
  • ka·nootje, kano·tje

Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van Spaans: canoa, op zijn beurt door Columbus ontleend aan het Taino kanoa: uitgeholde boomstam

Zelfstandig naamwoord

de kano m

  1. rank bootje dat men door middel van een peddel voortbeweegt
    De groep voer met een kano op de wilde rivier.

Vertalingen

Verwante begrippen

Meer informatie

Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen