kandidaat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kan·di·daat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kandidaat kandidaten
verkleinwoord kandidaatje kandidaatjes

Zelfstandig naamwoord

kandidaat m

  1. (politiek) iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
    De kiescommissie ziet in haar een goede kandidaat.
  2. iemand die zich beschikbaar geteld heeft voor een baan of functie
    Er waren erg veel kandidaten voor de positie.
  3. een deelnemer aan een spelshow
    Kandidaat nummer twee gaf als eerste het juiste antwoord.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl