kandelaar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kan·de·laar
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kandelaar | kandelaars, kandelaren |
| verkleinwoord | kandelaartje | kandelaartjes |
Zelfstandig naamwoord
kandelaar m
- standaard waarop één of meer kaarsen geplaatst kunnen worden
Synoniemen
Spreekwoorden
- om der wille van de smeer likt de kat de kandeleer (Jacob Cats?)
- als iemand erg aardig doet is er meestal een bijbedoeling