kalmeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kal·me·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kalmeren |
kalmeerde |
gekalmeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
kalmeren
- (ergatief) kalm worden
- De storm is gelukkig wat gekalmeerd.
- (overgankelijk) kalm maken
- De groepsleider kalmeerde de jongen.
- (wederkerend) zich ~ : zich kalmeren
Vertalingen
1. kalm worden