kalmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kal·me·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kalmeren
kalmeerde
gekalmeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

kalmeren

  1. (ergatief) kalm worden
    De storm is gelukkig wat gekalmeerd.
  2. (overgankelijk) kalm maken
    De groepsleider kalmeerde de jongen.
  3. (wederkerend) zich ~ : zich kalmeren
Vertalingen