kalk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kalk
enkelvoud meervoud
naamwoord kalk -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kalk m

  1. (scheikunde) aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium, zoals calciumoxide (ook wel ongebluste kalk), calciumhydroxide (gebluste kalk) en calciumcarbonaat en calciumwaterstofcarbonaat
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kalken

kalk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kalken
    Ik kalk.
  2. gebiedende wijs van kalken
    Kalk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kalken
    Kalk je?

Meer informatie


Limburgs

Periodiek systeem der elementen (lim)
H He
Li Be B C N O F Ne
Na Mg Al Si P S Cl Ar
K Ca Sc Ti V Cr Mn Fe Co Ni Cu Zn Ga Ge As Se Br Kr
Rb Sr Y Zr Nb Mo Tc Ru Rh Pd Ag Cd In Sn Sb Te I Xe
Cs Ba * Hf Ta W Re Os Ir Pt Au Hg Tl Pb Bi Po At Rn
Fr Ra ** Rf Db Sg Bh Hs Mt Ds Rg Cn Uut Uup Uus Uuo
* La Ce Pr Nd Pm Sm Eu Gd Tb Dy Ho Er Tm Yb Lu
** Ac Th Pa U Np Pu Am Cm Bk Cf Es Fm Md No Lr
Uitspraak
  • IPA: /kɑlk/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

kalk o

  1. kalk
  2. (scheikunde), (element) calcium
  3. atoomdeeltje van calcium.
Verbuiging