kachel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·chel
enkelvoud meervoud
naamwoord kachel kachels
verkleinwoord kacheltje kacheltjes

Zelfstandig naamwoord

kachel v/m

  1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
    De kachel had de hele nacht aangestaan.
Hyperoniemen
Hyponiemen
Meroniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

stellend
onverbogen kachel
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

kachel

  1. (informeel) dronken
    Ik ben kachel.
Synoniemen