kaapte
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- kaap·te
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kapen |
kaapte
- enkelvoud verleden tijd van kapen
- Ik kaapte.
- Jij kaapte.
- Hij, zij, het kaapte.
- Ik kaapte.
| vervoeging van |
|---|
| kapen |
kaapte