juichen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- jui·chen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| juichen |
juichte |
gejuicht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
juichen
- (inergatief) op luide wijze vreugde uiten
- Toen bekend werd dat de dictator naar het buitenland gevlucht was, juichten de demonstranten uitbundig.
Vertalingen
1.