juf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • juf
enkelvoud meervoud
naamwoord juf juffen
verkleinwoord juffie, jufje juffies, jufjes

Zelfstandig naamwoord

juf v

  1. (onderwijs), (informeel) lerares van een lagere school of peuterklas
    Dat mochten we niet van de juf.
    Kaspar kwam zuchtend uit de peuterklas en zei: we moesten weer zo hard werken van de juf!.
  2. jonge vrouw, meisje
    Ja, dat is een leuk juffie geworden.
    Regering van Suriname gaat niet door de knieën voor jufje Herfkens.[1]
Synoniemen
Antoniemen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Volkskrant 1999

Ujir

Zelfstandig naamwoord

juf

  1. meer