jubelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ju·be·len
Woordherkomst en -opbouw
- Komt van het Latijnse iubilare (schreeuwen, juichen) wat verwant is met het Griekse iuzein (schreeuwen).
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| jubelen |
jubelde |
gejubeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
jubelen
- (inergatief) juichen
- Het hele publiek jubelde voor de spelers.