jobstijding

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jobs·tij·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jobstijding jobstijdingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jobstijding v

  1. een boodschap van slechte aard
    De dokter kwam met de jobstijding dat de patient niet lang meer te leven had.
Synoniemen