janken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: janken (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈjɑŋkə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈjɑŋkə(n)/
Woordafbreking
- jan·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| janken |
jankte |
gejankt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
janken
- (inergatief) traanvocht uitscheiden door emotie
- Nadat hij in zijn gezicht was geslagen jankte hij wel een uur.