jacht

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jacht

Zelfstandig naamwoord

1. enkelvoud meervoud
naamwoord jacht -
verkleinwoord - -

jacht

  1. v & m; het achtervolgen van wild.
    Liefhebbers van de jacht op groot wild hadden vaak als eersten oog voor het belang van natuurbescherming.
  2. o; pleziervaartuig.
    Te Vlissingen lag er een jachtje bereid om naar Oost-Indië te varen.
    Op de voorplecht stond er een cupido die er speelde op zijn vergulde snaren.
2. enkelvoud meervoud
naamwoord jacht jachten
verkleinwoord jachtje jachtjes
Vertalingen


Hongaars

Zelfstandig naamwoord

jacht

  1. (scheepvaart) jacht
Persoonlijke instellingen