isoleren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iso·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
isoleren
isoleerde
geïsoleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

isoleren

  1. (overgankelijk) afsluiten van alle toegang
    De lijders aan deze raadselachtige ziekte werden voor de zekerheid geïsoleerd.
  2. (overgankelijk) (scheikunde) een bepaalde stof in zuivere vorm in handen zien te krijgen door deze te scheiden van alle andere stoffen in een mengsel
    Het heeft lang geduurd voordat men erin slaagde alle elementen van de lanthanidereeks te isoleren, maar nu is dat een peuleschil.
  3. (overgankelijk) elektrisch contact onmogelijk maken
    Deze kunststoflaag is voldoende om deze draden te isoleren.
  4. (overgankelijk) warmteuitwisseling voorkomen of verminderen
    Hij isoleerde zijn huis om aan de stijgende brandstofkosten beter het hoofd te kunnen bieden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen