isoleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- iso·le·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| isoleren |
isoleerde |
geïsoleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
isoleren
- (overgankelijk) afsluiten van alle toegang
- De lijders aan deze raadselachtige ziekte werden voor de zekerheid geïsoleerd.
- (overgankelijk) (scheikunde) een bepaalde stof in zuivere vorm in handen zien te krijgen door deze te scheiden van alle andere stoffen in een mengsel
- Het heeft lang geduurd voordat men erin slaagde alle elementen van de lanthanidereeks te isoleren, maar nu is dat een peuleschil.
- (overgankelijk) elektrisch contact onmogelijk maken
- Deze kunststoflaag is voldoende om deze draden te isoleren.
- (overgankelijk) warmteuitwisseling voorkomen of verminderen
- Hij isoleerde zijn huis om aan de stijgende brandstofkosten beter het hoofd te kunnen bieden.
Synoniemen
- [1] afzonderen, uitsluiten, buitensluiten, separeren
- [2] scheiden
- [3,4] afschermen