internetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ter·net·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Verbalisering van het zelfstandig naamwoord internet.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
internetten
internette
geïnternet
zwak -t volledig

Werkwoord

internetten

  1. (inergatief) gebruik maken van het internet
    Hij had de hele regenachtige middag geïnternet.
Synoniemen
Vertalingen