installeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stal·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
installeren
installeerde
geïnstalleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

installeren

  1. (overgankelijk) iets of iemand zodanig doen zetelen dat dit of deze zijn functie kan gaan vervullen
  2. (overgankelijk), (informatica) een computerprogramma op de computer zetten en voor gebruik gereedmaken
    Hij wist niet hoe hij het nieuwe computerprogramma moest installeren.
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen