installeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: installeren (hulp, bestand)
Woordafbreking
- in·stal·le·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| installeren |
installeerde |
geïnstalleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
installeren
- (overgankelijk) iets of iemand zodanig doen zetelen dat dit of deze zijn functie kan gaan vervullen
- (overgankelijk), (informatica) een computerprogramma op de computer zetten en voor gebruik gereedmaken
- Hij wist niet hoe hij het nieuwe computerprogramma moest installeren.
Vertalingen
- Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.
1.