injecteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| injecteren | injecterend |
| injectie | geïnjecteerd |
Uitspraak
Woordafbreking
- in·jec·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| injecteren |
injecteerde |
geïnjecteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
injecteren
- (overgankelijk) het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
- Hij injecteerde de onbekende stof in de gaschromatograaf.
Synoniemen
- [1] inspuiten
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald