inhaalde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- in·haal·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| inhalen |
inhaalde
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van inhalen
- ... dat ik inhaalde.
- ... dat jij inhaalde.
- ... dat hij, zij, het inhaalde.
- ... dat ik inhaalde.