inga
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- in·ga
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ingaan |
inga
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ingaan
- ... dat ik inga.
| vervoeging van |
|---|
| ingaan |
inga
- (in een bijzin) enkelvoud tegenwoordige tijd aanvoegende wijs van ingaan
- ... dat men inga.