indicator
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·di·ca·tor
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van indiceren met het achtervoegsel -ator
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | indicator | indicatoren indicators |
| verkleinwoord | indicatortje | indicatortjes |
Zelfstandig naamwoord
indicator m
- verschijnsel dat op iets wijst, factor die iets aangeeft (b.v. een indicatielamp)
- getal dat een betrouwbare aanwijzing is voor de waarde van iets
- (economie) een meting, waarneming of statistiek die iets aangeeft
- Het aantal nieuwe kleine bedrijfjes is een goede indicator van de te verwachten groei in werkgelegenheid.
- (scheikunde) een stof die door een kleuromslag een verandering in de zuurgraad of de elektrochemische potentiaal aangeeft
- Lakmoes is een van de bekendste indicators.
Hyponiemen
- afstemindicator, alarmindicator, bioindicator, conjunctuurindicator, milieu-indicator, opvoerindicator, schakelindicator, stemmingsindicator, storingsindicator, waterstandsindicator
Afgeleide begrippen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.