incident
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·ci·dent
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | incident | incidenten |
| verkleinwoord | incidentje | incidentjes |
Zelfstandig naamwoord
incident o
- een opschudding verwekkend voorval
- Er was gisteren een ernstig incident aan de grens met Noord-Korea.
Vertalingen
1. een opschudding verwekkend voorval