impliceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·pli·ce·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
impliceren
impliceerde
geïmpliceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

impliceren

  1. (inergatief) stilzwijgend ten gevolge hebben
    Dit impliceerde een verhoging van de lasten.
Verwante begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen