immers

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·mers

Bijwoord

immers

  1. een logisch verband aangevend met iets dat eerder gezegd is, meestal in een vraag
    Nee, hij is al naar huis, hij werd immers gevraagd thuis te komen.