huwde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huw·de

Werkwoord

vervoeging van
huwen

huwde

  1. enkelvoud verleden tijd van huwen
    Ik huwde.
    Jij huwde.
    Hij, zij, het huwde.