huurling
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- huur·ling
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van huren met het achtervoegsel -ling.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | huurling | huurlingen |
| verkleinwoord | huurlinkje | huurlinkjes |
Zelfstandig naamwoord
huurling m
- iemand die tegen betaling krijgsdienst verricht in vreemde dienst
- De huurlingen sloegen aan het muiten toen hun soldij niet op tijd betaald werd.