huurling

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huur·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huurling huurlingen
verkleinwoord huurlinkje huurlinkjes

Zelfstandig naamwoord

huurling m

  1. iemand die tegen betaling krijgsdienst verricht in vreemde dienst
    De huurlingen sloegen aan het muiten toen hun soldij niet op tijd betaald werd.
Vertalingen