huur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huur
enkelvoud meervoud
naamwoord huur huren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

huur

  1. een geldbedrag voor het tijdelijk gebruik van een woning of gebruiksartikel
Uitdrukkingen en gezegden
  • Te huur!
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
huren

huur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
    Ik huur.
  2. gebiedende wijs van huren
    Huur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
    Huur je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen