huur
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- huur
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | huur | huren |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
huur
- een geldbedrag voor het tijdelijk gebruik van een woning of gebruiksartikel
Uitdrukkingen en gezegden
- Te huur!
Vertalingen
1. een geldbedrag voor het tijdelijk gebruik van een woning of gebruiksartikel.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| huren |
huur