hurken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hur·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hurken
hurkte
gehurkt
zwak -t volledig

Werkwoord

hurken

  1. (inergatief) op de onderbenen gaan zitten
    Ze hurkte om wat onkruid te wieden.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

hurken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hurk

Meer informatie