huppen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hup·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huppen
hupte
gehupt
zwak -t volledig

Werkwoord

huppen

  1. (ergatief) met beide benen of achterpoten tegelijk opspringend zich gericht verplaatsen
    De kangoeroe hupte door het bos.
  2. (inergatief) met beide benen of achterpoten tegelijk opspringend zich verplaatsen
    Er werd vrolijk wat gehupt door de jonge kangoeroemuizen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen