huiveren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hui·ve·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huiveren
huiverde
gehuiverd
zwak -d volledig

Werkwoord

huiveren

  1. (inergatief) rillen van verkilling, afschuw of angst
    Zijn verhaal ademde een uitzichtsloosheid waar ik van huiverde.