huik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ɦœʏ̯k/
- (Vlaanderen, Brabant): /ɦœːk/
- (Limburg): /hœːk/
Woordafbreking
- huik
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Arabische حائك ḥā'ik (en niet aan het Oudfranse huque (cape met capuchon) dat evanals het middeleeuws Latijn huca recenter is)[1].
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | huik | huiken |
| verkleinwoord | huikje | huikjes |
Zelfstandig naamwoord
- (verouderd) een vrouwensluier met kap Arch. (1811) [2]
- De huik naar alle winden hangen.
- Zich schikken naar de omstandigheden van het moment
- De huik naar alle winden hangen.
- een regenvast dekkleed dat over een zeil gedaan wordt
- We vertrouwen het niet met het weer, dus doen we de huik over de zeilen.
- (verouderd) hurk
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| huiken |
huik
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiken
- Ik huik.
- gebiedende wijs van huiken
- Huik!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiken
- Huik je?