huid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huid
enkelvoud meervoud
naamwoord huid huiden
verkleinwoord huidje huidjes

Zelfstandig naamwoord

huid v/m

  1. (anatomie) vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
  2. (scheepvaart) de buitenbekleding van een schip
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord huid huide

Zelfstandig naamwoord

huid

  1. huid


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
huir

huid

  1. aanvoegende wijs tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van huir.
  2. gebiedende wijs (ontkennend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van huir.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen