houd tegen
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- houd te·gen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| tegenhouden |
houd tegen
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tegenhouden
- Ik houd tegen.
- gebiedende wijs van tegenhouden
- Houd tegen!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tegenhouden
- Houd je tegen?