hoogleraar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hoog·le·raar
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoogleraar | hoogleraars, hoogleraren |
| verkleinwoord | hoogleraartje | hoogleraartjes |
Zelfstandig naamwoord
hoogleraar m
- (onderwijs), (beroep), (wetenschap) iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
- Precies 150 jaar geleden sprak Robert Fruin hier zijn oratie uit als eerste hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis in Leiden en daarmee tegelijk als eerste hoogleraar geschiedenis in Nederland.
Hyponiemen
- afstudeerhoogleraar, collega-hoogleraar, deeltijdhoogleraar, emeritus-hoogleraar, gasthoogleraar, milieuhoogleraar, oud-hoogleraar
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.