hoef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoef
enkelvoud meervoud
naamwoord hoef hoeven
verkleinwoord hoefje hoefjes

Zelfstandig naamwoord

hoef m

  1. (dierkunde) een overdekking van het uiteinde van de voet
    De afdruk van de hoef van het paard was te zien in het zand.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hoeven

hoef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeven
    Ik hoef.
  2. gebiedende wijs van hoeven
    Hoef!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeven
    Hoef je?

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hoef hoewe

Zelfstandig naamwoord

hoef

  1. (dierkunde) hoef