hoef
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hoef
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoef | hoeven |
| verkleinwoord | hoefje | hoefjes |
Zelfstandig naamwoord
hoef m
- (dierkunde) een overdekking van het uiteinde van de voet
- De afdruk van de hoef van het paard was te zien in het zand.
Vertalingen
1. een overdekking van het uiteinde van de voet
|
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| hoeven |
hoef
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeven
- Ik hoef.
- gebiedende wijs van hoeven
- Hoef!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeven
- Hoef je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoef | hoewe |
Zelfstandig naamwoord
hoef