hobbyist
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hob·by·ist
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hobbyist | hobbyisten |
| verkleinwoord | hobbyistje | hobbyistjes |
Zelfstandig naamwoord
hobbyist m
- iemand die zich met een hobby bezighoudt
- Hij is een fanatieke hobbyist.
- (pejoratief) een amateur
- Wat een hobbyisten zijn dat, zeg!