hinken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hin·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hinken |
hinkte |
gehinkt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
hinken
- (inergatief) ongelijk lopen omdat men slechts op één been steunen kan
- Hij verzwikte zijn voet en heeft daarna een beetje gehinkt, maar het bleek niet ernstig.
- (ergatief) ergens slechts op één been heen gaan
- De kinderen zijn van de ene kant van het pad naar het andere gehinkt.