hinder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hin·der
enkelvoud meervoud
naamwoord hinder
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hinder, m

  1. last, ongemak: Wegenwerken veroorzaken meestal hinder voor de omwonenden.
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hinderen

hinder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hinderen
    Ik hinder.
  2. gebiedende wijs van hinderen
    Hinder!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hinderen
    Hinder je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen