hik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord hik -
verkleinwoord - -
Woordafbreking
  • hik

Zelfstandig naamwoord

hik

  1. (medisch) een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing, gevolgd door het plots sluiten van het strotklepje, wat een kenmerkend geluid veroorzaakt
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hikken

hik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hikken
    Ik hik.
  2. gebiedende wijs van hikken
    Hik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hikken
    Hik je?

Meer informatie


Papiamento

Zelfstandig naamwoord

hik

  1. (medisch) hik.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen