hik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hik | - |
| verkleinwoord | - | - |
Woordafbreking
- hik
Zelfstandig naamwoord
hik
- (medisch) een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing, gevolgd door het plots sluiten van het strotklepje, wat een kenmerkend geluid veroorzaakt
Vertalingen
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing, gevolgd door het plots sluiten van het strotklepje, wat een kenmerkend geluid veroorzaakt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| hikken |
hik
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hikken
- Ik hik.
- gebiedende wijs van hikken
- Hik!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hikken
- Hik je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Papiamento
Zelfstandig naamwoord
hik