hijzelf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • IPA: /ɦɛɪ'zɛlf/
Woordafbreking
  • hij·zelf

Persoonlijk voornaamwoord

hijzelf

  1. versterkte vorm van hij
    Hijzelf kon niet komen.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen