hien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

hien

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) (eenheid) inhoudsmaat voor vloeistoffen, omstreeks 7 liter (22×: Ex. 29:40 +, Lev. 19:36 +, Num. 15:4 +, Ez. 4:11 +)
Verwante begrippen
  • Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): hin
Verwijzingen
Vertalingen


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
hien hide hiden ghehid
  volledig  

Werkwoord

hiën ook: hyen, hijen, hiwen

  1. huwen, trouwen
  2. oorspronkelijk: beslapen, verkrachten, neuken
    «..Ick hyde liever myn moeder, dan ghy so staen solt!»
    Ik neuk liever m'n moeder, dan dat ik je zo (in de weg) laat staan.


Luxemburgs

Persoonlijk voornaamwoord

hien

  1. hij
    «Hien huet eng hënn.»
    Hij heeft een hond.