herleven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- her·le·ven
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| herleven |
herleefde |
herleefd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
herleven
- (ergatief) opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
- De hele natuur herleefde toen er eindelijk weer regen gevallen was.