herleven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·le·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
herleven
herleefde
herleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

herleven

  1. (ergatief) opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
    De hele natuur herleefde toen er eindelijk weer regen gevallen was.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen