hengelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hen·ge·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hengelen |
hengelde |
gehengeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
hengelen
- (inergatief) (sport) vis trachten te vangen met een haak aan een lijn dei geleid wordt op een lange stok
- Zij hengelden voornamelijk op baars.